Voorproefje
| Titel: | Veel liefs, Lucy B. Parker |
| Auteur: | Robin Palmer |
| Uitgeverij: | Van Holkema & Warendorf, 2011 |
| ISBN: | 978 90 0030 4394 |
| Illustraties: |
De 12-jarige Lucy B. Parker heeft het niet gemakkelijk. Ze is vlak voor de brugklas gedumpt door haar twee beste vriendinnen, na een ongeluk met een stijltang moet ze noodgedwongen met een pet op naar school en dan kondigt haar moeder ook nog aan dat ze verliefd is... op de vader van Laurel Moses, de grootste tienerster van Amerika! Hoe moet Lucy, die alleen talent lijkt te hebben voor blunders, zich staande houden als het stiefzusje van een superster? Ze mailt naar tv-psycholoog dr. Maude voor advies. Maar als die niet antwoordt, moet Lucy zelf oplossingen bedenken voor al haar problemen. En dat zorgt voor de meest hilarische situaties…
Lees hier het Voorproefje van 'Veel liefs, Lucy B. Parker' geschreven door Robin Palmer en maak kans op een exemplaar van dit boek.
Natuurlijk had ik al kunnen weten dat er iets niet pluis was toen mama me vroeg of ik mee ging winkelen. Op doordeweekse dagen gaan we anders nooit ’s avonds naar het winkelcentrum, want dat vindt mijn moeder pedagogisch niet verantwoord. Als het aan mij lag, zat ik er elke avond, want er zit een H&M én een megastore van Target en dat zijn mijn lievelingswinkels.
‘Zullen we eerst even een ijsje gaan eten?’ vroeg ze, toen we eenmaal in Virginia Woolf zaten. Virginia Woolf is onze twintig jaar oude blauwe Volvo. Ik weet ook niet waarom die auto niet een normale naam als ‘Christine’ heeft of zo, net als de auto van de moeder van mijn ex-beste vriendin Rachel. Ik bedoel, waarom moet je je auto nou vernoemen naar een schrijfster die zichzelf in een rivier van kant heeft gemaakt? Allebei mijn ouders zijn trouwens zo vreemd, hoor. De rode Saab van mijn vader was vernoemd naar Albert Stieglitz, een beroemde fotograaf, en dat is een nog vreemdere naam dan Virginia Woolf. Moeilijker om te spellen, ook, en dat terwijl ik tweede ben geworden bij de spellingswedstrijd op school (ik was eerste geworden als ik niet zo meganerveus was geweest en ‘filistijnen’ als ‘filestijnen’ had gespeld). Papa zegt altijd dat creatieve types (zoals mama die schrijfster is en papa zelf, die fotograaf is) best een beetje vreemd mogen zijn, maar volgens mij zijn ze allebei de laatste tijd wel een beetje érg vreemd.
Hoe dan ook, toen mama het woord ‘ijs’ in de mond nam, wist ik dat het mis was. Sinds mijn twaalfde verjaardag, afgelopen november, mag ik alleen maar in het weekend ijs, omdat ik van alle suiker een enorme puistenkop kreeg waar met geen zalfje tegenop te smeren viel. Alleen bij heel, heel hoge uitzondering mocht ik doordeweeks ijs. Bijvoorbeeld na een uitvoering van het koor (waar ik trouwens alleen maar playback, omdat ik niet helemaal zuiver zing, zeg maar).
Van papa’s vriendin, Sarah - die trouwens niet creatief-vreemd is, maar gewoon vreemd-vreemd (yogalerares!) - kreeg ik een flesje etherische olie, waarvan ik een paar druppels achter mijn oren en op de binnenkant van mijn polsen moest deppen. Dat zou er dan voor zorgen dat ik geen behoefte meer had aan suiker. Nou, ik heb dat spul nooit gebruikt, want het stinkt naar zweetgympen en na het Pet-incident zit ik echt niet te wachten op mensen die me naroepen dat ik Eau de Zweetgymp opheb.
‘Wat is er precies aan de hand?’ vroeg ik nadat ik mijn munt-chocolade-butterscotch ijsje op had (nóg een teken dat er iets gaande was - normaal mag ik maar één bolletje -) en we samen door het winkelcentrum liepen.
Mama wierp me een stralende glimlach toe. De derde al die avond. Nog zoiets: mama leek de laatste paar maanden een stuk gelukkiger dan anders. Zó gelukkig dat ze ’s avonds hardop zingend eten kookte, hoewel ze net zo’n beroerde stem heeft als ik. Niet dat ze sinds de scheiding vorig jaar alleen maar huilend in een hoekje had gezeten, zoals haar beste vriendin Deanna na háár scheiding wel had gedaan, maar ze had ook niet bepaald lopen zingen.
Net voordat we roltrap op wilden stappen, bleef ik stilstaan. Opeens had ik het door! ‘Vergeet het maar. Ik ga niet,’ kondigde ik aan.
‘Hoezo, “ik ga niet”? We gaan toch naar Target, schat?’ vroeg mama onschuldig. ‘Daar vind je het altijd zo geweldig!’
Ik kneep mijn ogen tot spleetjes. ‘We gaan helemaal niet naar Target. Je sleept me mee naar Barbara’s Beha’s.’ Die zat namelijk pal naast Target. Volgens mij doen die lui die de winkelcentra indelen dat met opzet. Dat je denkt dat je naar Target gaat, maar dat je dan net een deur daarvóór aan je haren naar binnen wordt getrokken door je goedbedoelende moeder.
Er waren een paar dingen waar ik een grondige hekel aan had. De tandarts, bijvoorbeeld. En echte en onechte breuken. Maar het allerergste vond ik borsten. De mijne, om precies te zijn. Jongens uit de tweede, zoals Frankie Bankuti en Timmy MacFarland liepen er altijd maar naar te staren, maar wat nog erger was, was dat de tekst (IK HOU NIET VAN SAMENSPEL) op mijn favo T-shirt nu niet meer te lezen was. De ene helft van de letters viel net boven mijn borsten en de andere helft zat er net onder. (Sarah beweerde dat ik negativiteit uitstraalde door met zo’n T-shirt rond te lopen, maar wat zij niet begreep is dat ik juist wél hield van samenspel en dat de tekst dus als grapje bedoeld was. Maar ja, Sarah zag sowieso nergens de humor van in.)
Ergens in de week voordat ik naar de brugklas ging, werd ik ’s ochtends ineens wakker met twee stressballetjes op mijn borst en sindsdien liep mama me aan mijn hoofd te zeuren dat ik een beha moest. Tot nu toe had ik de boot weten af te houden, zelfs toen mama me rond Kerst twintig dollar beloofde als ik zo’n ding ging dragen. Ik heb het één keer geprobeerd, maar ik kreeg er zó’n jeuk van dat ik me helemaal moest insmeren met een antikriebelzalf, die tot overmaat van ramp zó afgaf op mijn Maggie Simpson-T-shirt dat ik dat meteen kon weggooien.
Voordat Rachel en Missy (mijn andere ex-beste vriendin) me drie dagen voor we naar de brugklas gingen dumpten, gingen we op zaterdag wel eens naar het winkelcentrum. Daar gingen zij dan beha’s passen in de lingeriezaak, hoewel er niet veel te beha-en viel. In de tussentijd paste ik baretjes en haarbanden (maar dat was nog vóór het Stijltangincident.) Mijn soort-van-vriendin Marissa was zo plat als een dubbeltje, maar wilde sinds haar negende niets liever dan grote borsten. Bij haar ging het zelfs zo ver dat ze plaatjes van beha’s uit catalogi knipte en die op een prikbord boven haar bureau hing. Héél vreemd, als je het mij vraagt.
Ik noem Marissa trouwens mijn soort-van-vriendin, omdat ze never nooit een echte vriendin van me zou kunnen zijn, hoewel zij denkt van wel. Ze is gewoon veel te irritant. De enige reden waarom we überhaupt aan de praat raakten, was omdat ik Parker van mijn achternaam heet en zij Parini, waardoor zij tijdens het mentoruur altijd voor me zat. Die eerste dag in de brugklas was ik zó van streek bij de gedachte dat ik tussen de middag in mijn uppie mijn boterhammetje zou moeten eten (omdat ik dus net gedumpt was door Rachel en Missy), dat ik van ellende met Marissa ben gaan praten. En nu kwam ik niet meer van haar af. Urenlang moest ik naar haar geleuter luisteren over haar paarden, haar allergieën en haar poppencollectie. Dat ik nog niet letterlijk ben doodgegaan van verveling is eigenlijk een wonder.

