Voorproefje

 

Het wonderlijke verhaal van Angelino Brown

Titel: Het wonderlijke verhaal van Angelino Brown
Auteur: David Almond
Uitgeverij: Querido KInderboeken, 2018
ISBN: 978 90 451 2091 1
Illustraties: Alex T. Smith

1.

Allemaal instappen! We gaan vertrekken. Dit is Bert, op zijn bus. Hij rijdt al tien jaar met dezelfde bus over dezelfde wegen. Tien jaar! Dat is nog langer dan sommigen van ons leven! En de tien jaar dáárvoor reed hij met een andere bus over andere wegen aan de andere kant van de stad.
Er zijn mensen die dolgraag buschauffeur willen worden. Jij misschien ook wel. Bert misschien ook in het begin, lang geleden in de grijze oudheid toen hij nog jong en vrolijk en optimistisch was. Maar nu niet meer. Nee, nu niet meer! Meneer Bertram Brown heeft er meer dan genoeg van. Dit is toch geen leven! Starten stoppen starten stoppen starten stoppen. Zuchtende remmen, knarsende deuren, grommende motor. Stoplichten, verkeersopstoppingen, oponthoud, wegwerkzaamheden, felle zon, mist en regenplassen, ijs en die rottige sneeuw.
En bushaltes! Wie heeft bushaltes verzonnen? Al die wachtende mensen, al die opgestoken handen. ‘Stop, chauffeur! We willen in je gezellige bus!’  Passagiers! Wie heeft passagiers verzonnen? Oude dames met een wandelstok, stinkende oude kerels met bibberhanden en kwijlmonden, mallotige moeders met krijsende koters en kotsende baby’s in hun armen. Rolstoelen, boodschappenwagentjes, buggy’s en grote pakketten. Jongens met hun meisjes en meisjes met hun vriendjes die verliefderig kijken en zwijmelen en klef handje- in-handje gaan.
En kinderen! Kinderen! Breek Bert de bek niet open over kinderen. Wie heeft díé in vredesnaam verzonnen? Brutale snotapen. ‘Ik heb geen geld, meneer! Ik heb mijn pasje in het putje laten vallen, meneer! Ik ben echt nog maar acht, ik mag op een kinderkaartje! Pas op, chauffeur! Je achterwiel haalt je voorwiel in! Stop, ik moet plassen! Stop, ik moet...’ Kinderen! Wat moet je ermee?
O jemig, hij is alweer bij de St.-Mungoschool. En daar zal je ze hebben, de ettertjes. ‘Eén voor één! Niet dringen! Zitten, jullie! Hou op met dat gelach! Hou op met dat geschreeuw! Hou op met die herrie!’ Kinderen! Opsluiten die handel, en de sleutel weggooien. Kinderen! ‘Geen grote mond! Ga zitten! Zítten!’
Gelukkig is het bijna voorbij. Bert wordt een dagje ouder. Kijk maar, hij is bijna kaal. Binnenkort gaat hij met pensioen. Eindelijk vrij! Nooit meer de bus, wat Bert betreft. Nooit meer bushaltes! Nooit meer passagiers! Nooit meer kinderen! Nooit meer die brutale snotapen van kinderen!
Maar wacht eens... Wat krijgen we nou? Wat gebeurt er? Er fladdert iets in Berts borst! Hij wordt helemaal trillerig en rillerig en duizelig en suizelig! Zijn jasje zit opeens te strak. Hij krijgt bijna geen adem meer. Zijn hoofd tolt. Zijn hart bonst, bam bam bam! Bam bam bam! Vast een hartaanval! Allemachtig, Bert heeft een hartaanval!
Hij trapt keihard op de rem. De bus komt slingerend tot stilstand op een plek waar geen halte is. ‘Wat is er aan de hand, Bert?’ roepen de passagiers. ‘Er is hier geen halte. We moeten naar huis. We moeten naar ons werk! De wielen van de bus gaan niet meer rond en rond...’
Bel de ambulance! wil Bert roepen. Maar zijn keel zit dicht. En het gefladder wordt feller en zijn hart hamert sneller en zijn jasje gaat nog strakker zitten.
Dat was het dan! denkt hij.
Hij zet de motor af. De passagiers roepen, maar hij hoort er geen woord van.
Alles wordt stil: heerlijk, prachtig stil.
Dus zo eindigt het! denkt Bert. Vaarwel, lieve wereld!
Maar... ho eens even. Ja, het bonst en fladdert en flitst nog steeds in zijn borst. Ja, het duizelt en suizelt nog in zijn hoofd. Maar hij heeft geen greintje pijn. Het is geen hartaanval. Dat kan niet. Wat een opluchting. Pff! Maar wat is het dan wel? Hé! Er zit iets in zijn borstzak. Daar bij zijn pennen en dienstregelingen zit nog iets. En dat iets beweegt.
Bert steekt zijn hand in zijn borstzak en voelt. Allemachtig. Wat is dat kleine ding, dat daar rondspringt en fladdert?
Hij haalt het tevoorschijn, houdt het voor zijn ogen. Het leeft!
Het staat daar op zijn hand. Met vleugeltjes. En een soort wit jurkje. Dat kan toch helemaal niet... of toch?
‘Wat is dat?’ Een meisje met een gele trui en gele spijkerbroek is naar voren gekomen. Ze gaat naast het chauffeurshokje staan, al hangt vlak boven haar hoofd een bord met de waarschuwing:

VERBODEN
TIJDENS DE RIT MET DE CHAUFFEUR TE PRATEN
OF ZIJN AANDACHT AF TE LEIDEN

‘Wat is dat?’ vraagt ze weer.
Bert fronst. ‘Niks,’ zegt hij.
‘Het is niet niks. Het is een...’
‘Ga zítten!’ zegt Bert.
Hij staart naar het geval in zijn hand. Dat staart terug. Jawél hoor! Het is potverdorie een engel. Hij stopt de engel terug in zijn zak.
‘Wat gebeurt er allemaal, chauffeur?’ schreeuwt iemand achter in de bus.
‘Probleempje met de motor!’ roept Bert terug. ‘Geen paniek. Het is alweer goed.’ Hij start de bus weer.
‘Hoe heet hij?’ vraagt het meisje.
‘Wie?’
‘Híj daar.’ Ze wijst naar Berts borstzak. Daarbinnen beweegt de engel. ‘Is dat je zoontje?’ vraagt ze.
‘Ik heb geen zoontje!’ snauwt Bert.
‘Welles! Daar! In je zak!’
‘Zitten jij, of ik zet je m’n bus uit!’
Het meisje gaat zitten, maar ze blijft naar Bert kijken.
Bert voelt het engeltje fladderen bij zijn hart. Bij het eerstvolgende stoplicht loert hij vlug in zijn borstzak en ziet twee glanzende oogjes terugkijken.
‘Ik neem je mee naar huis, naar Betty,’ fluistert Bert. ‘Zij weet er wel wat op.’
‘Rijden, chauffeur!’ roept iemand.
Het licht is op groen gesprongen. Bert geeft gas. Hij rijdt door de straten in de richting van de busremise. Passagiers stappen in en uit. Hij neemt geld aan, geeft wisselgeld terug. Hij doet niet chagrijnig. Hij zegt ‘alstublieft’ en ‘dank u wel’.
‘Wat heeft hij vandaag?’ fluistert iemand.
‘Hij is de jongste niet meer,’ antwoordt haar vriendin. Ze tikt tegen haar hoofd en knipoogt. ‘De kluts kwijt,’ zegt ze. Ze giechelen samen.
‘Arme ouwe Bert,’ zeggen ze.
‘Ik moet er hier uit,’ zegt het meisje in het geel.
‘Ga maar gauw dan,’ zegt Bert.
‘Hier, een fruithartje,’ zegt ze.
‘Een wat?’
‘Voor uw kleintje.’
Bert kijkt haar raar aan. Ze lacht. Een klein handje piept omhoog uit zijn borstzak. Het meisje legt het hartje erin. De hand en het snoepje verdwijnen. Weer lacht het meisje.
‘Hij is léúk!’ zegt ze.
‘Eruit!’ snauwt Bert.
Ze stapt uit. Ze zwaait.
‘Tot ziens!’ roept ze. ‘Ik heet Nancy Miller.’
Bert rijdt weg. Nu blijft het rustig in zijn borstzak. Hij neemt vlug een kijkje en ziet de engel aan het hartje likken. Het neuriet er een deuntje bij. Bert begint zomaar mee te neuriën.
Eindelijk is de bus bijna leeg. De rit is bijna voorbij. Er zit nog maar één jonge gast, een gast in het zwart met een zwarte snor en een zwarte zonnebril.
Hij gaat bij de deur staan wachten tot hij kan uitstappen. Bert trekt de handrem aan en de deuren gaan open.
‘Laatste halte,’ zegt Bert.
De gast verroert zich niet.
‘Einde van de rit, jongen,’ zegt Bert.
‘Wat heb je daar?’ vraagt de gast. Hij wijst naar Berts jasje.
‘Niks,’ zegt Bert. ‘En nu wegwezen.’
De gast stapt uit, maar hij blijft staan kijken als de deuren dichtgaan en de bus in beweging komt.
‘Passagiers!’ moppert Bert.
Hij rijdt weg.
De gast haalt een telefoon uit zijn zak. Hij toetst een nummer in.
‘Met mij, baas,’ zegt hij. ‘Ik heb iets gezien wat heel interessant voor ons kan zijn.’

'Het wonderlijke verhaal van Angelino Brown' verschijnt in januari 2018.

.
Leesfeest verloot het boek uit dit voorproefje! Wil jij ook kans maken op dit boek? Klik dan hier
.