Voorproefje

 

Mijn vriend Crenshaw

Titel: Mijn vriend Crenshaw
Auteur: Katherine Applegate
Uitgeverij: Querido, 2017
ISBN: 978 90 451 1996 0
Illustraties:

1 .

Aan de kat op de surfplank vielen me gekke dingen op.
Eén: hij was een kat op een surfplank.
Twee: hij droeg een T-shirt. Daarop stond: katten zijn top, honden rot op.
Drie: hij had een ingeklapte paraplu bij zich, alsof hij bang was dat hij nat zou worden. Wat eigenlijk een rare angst is als je gaat surfen.
Vier: blijkbaar zag niemand anders op het strand hem.
De kat had een mooie golf te pakken en surfte er soepel op los. Maar toen hij het strand naderde, was hij zo dom om de paraplu open te klappen. Een windvlaag rukte de kat de lucht in. Hij miste op een haar na een meeuw.
Zelfs de meeuw leek hem niet op te merken.
De kat zweefde boven mijn hoofd als een pluizige ballon. Ik keek recht omhoog. Hij keek recht omlaag. Hij zwaaide.
Hij had een zwart met witte vacht, als van een pinguïn. Hij had iets van iemand met een harige smoking die op weg was naar een chique bijeenkomst.
Ook had hij iets heel bekends.
‘Crenshaw,’ fluisterde ik.
Ik keek om me heen. Ik zag zandkastelenbouwers, frisbeespelers en krabbenvissers. Maar ik zag niemand naar de zwevende surfkat met de paraplu kijken.
Ik kneep mijn ogen dicht en telde tot tien. Heel langzaam. Tien seconden leek me tijd genoeg om weer normaal te worden. Ik was een beetje duizelig. Maar dat gebeurt wel vaker als ik honger heb. Na het ontbijt had ik niets meer gegeten.
Toen ik mijn ogen opendeed, zuchtte ik van opluchting. De kat was weg. De hemel was oneindig wijd en leeg.
Woep! Op een paar centimeter van mijn tenen landde de paraplu als een reusachtige pijl in het zand. Hij was van rood en geel plastic, met plaatjes van lachende muizen erop. Op het handvat was met waskrijt geschreven: deze spuit is eigendom van crenshaw.
Ik deed mijn ogen weer dicht. Telde tot tien. Deed mijn ogen weer open, en de paraplu – of de spuit, of hoe hij dat ding ook noemde – was verdwenen. Net als de kat.
Het was eind juni, lekker warm, maar ik had kippenvel. Ik voelde me zoals je je voelt als je van de hoge duikplank in het zwembad springt. Je bent halverwege. Je ligt nog niet in het water. Maar je weet dat er geen weg terug is.

2.

Nu moet je weten dat ik geen type ben voor een denkbeeldige vriend.
Dat meen ik. Na de zomervakantie ga ik naar groep zeven. Op mijn leeftijd heb je niks aan de reputatie dat je gestoord bent.
Ik hou van feiten. Dat is altijd zo geweest. Van dingen die waar zijn. Feiten als twee-plus-twee-is-vier. Feiten als spruitjes-smaken-naar-stinkende-sportsokken.
Oké, misschien is dat laatste meer een mening. En trouwens, ik heb nog nooit een stinkende sportsok gegeten, dus ik kan het mis hebben.
Feiten zijn belangrijk voor een wetenschapper, en later wil ik wetenschapper worden. Ik hou het meest van dierenfeiten. Vooral het soort waarop mensen reageren met ‘dat kan niet waar zijn!’
Zoals het feit dat een jachtluipaard een snelheid van honderdvijf kilometer per uur kan halen.
Of het feit dat een kakkerlak zonder kop nog twee weken in leven kan blijven.
Of het feit dat een gehoornde pad bloed uit zijn ogen spuit als hij woedend wordt.
Ik wil dierkundige worden. Ik heb nog geen dier gekozen. Op het moment vind ik vleermuizen heel tof. Ik hou ook van jachtluipaarden, honden, slangen, ratten en zeekoeien. Dat zijn mooie opties.
Dinosaurussen vind ik ook leuk, behalve dan dat ze allemaal dood zijn. Een tijdlang wilden mijn vriendin Marisol en ik paleontoloog worden en dinosaurusfossielen gaan zoeken. Zij begroef vaak kippenbotjes in haar zandbak om te oefenen met opgravingen.
Marisol en ik zijn deze zomer een hondenuitlaatdienst begonnen. Die noemen we ‘Laat Lassie Lopen’. Als we de honden uitlaten, wisselen we wel eens dierenfeiten uit. Gisteren vertelde ze me dat een vleermuis in één uur 1200 muggen kan opeten.
Feiten zijn zoveel leuker dan verhalen. Verhalen kun je niet zien. Je kunt ze niet in je hand houden en opmeten.
Een zeekoe past ook niet in je hand. Maar toch. Verhalen zijn uiteindelijk leugens. En ik hou er niet van als er tegen me gelogen wordt.
Ik moet niets van verzinsels hebben. Toen ik klein was verkleedde ik me niet als Batman, praatte ik niet met knuffelbeesten en was ik niet bang voor monsters onder mijn bed.
Mijn ouders zeggen dat ik in groep een aan iedereen liep te vertellen dat ik de burgemeester van de aarde was. Maar dat duurde maar een paar dagen.
Oké, ik had Crenshaw een tijdje. Maar kleine kinderen hebben zo vaak een denkbeeldig vriendje.
Mijn ouders namen me een keer mee om de paashaas te zien in het winkelcentrum. We stonden op nepgras bij een enorm nep-ei in een enorme nep-mand.
Toen het mijn beurt was om met de paashaas op de foto te gaan, keek ik naar zijn poot en trok ik die er met één ruk af.
Er kwam een mannenhand tevoorschijn. Met een gouden trouwring en toefjes lichtblond haar.
‘Die haas is een man!’ riep ik. Een klein meisje begon te huilen.
De manager van het winkelcentrum stuurde ons weg. Ik kreeg geen gratis mandje met chocolade-eitjes en geen foto met de neppaashaas.
Toen besefte ik voor het eerst dat mensen lang niet altijd de waarheid willen horen.

.
Leesfeest verloot 3 keer het boek uit dit voorproefje! Wil jij ook kans maken op dit boek? Klik dan hier
.